Klap van de molen

Toen David en ik, dik 15 jaar na onze eerste ontmoeting, eindelijk voor elkaar vielen, was ik eigenlijk gekomen om mijn begrafenis te bespreken.

Ik had de meest uitzonderlijke ideeën daarover die ik aan een vriendin had toevertrouwd. Ze had haar vader zojuist begraven en riposteerde: "Je moet bij David zijn."

Eigenlijk was er al een paar maanden eerder iets van een vonk overgesprongen op de afdeling filosofie van het American Book Center, toen wij in dezelfde rij achter de balie aanschoven, en elkaar net-niet-net-wel herkenden, maar wel heel erg leuk vonden. Bij die voorbespreking werd die vonk echter een dusdanig hellevuur dat ik stante pede doordrongen werd van de onherroepelijkheid van het gebeuren: ik zou de rest van mijn tot dan toe wispelturige dagen slijten als de eega van David Elders. Dat zinde mij niet. Niet dat ik hem geen geschikte kandidaat vond. Het had met mijn afkomst te maken, als telg van een eeuwenoud begraversgeslacht die dolblij was dat ze daar niet meer bij hoorde. Na een paar opmerkingen van koetjes en vlaatjes-niveau begon ik dan ook fel tegen een volkomen verbaasde David uit te varen:

"Jij wilt kinderen? Wat erg! Weet je wel wat je die kinderen aandoet? Geboren in een begraversfamilie! Je reinste kindermishandeling..." Enzovoorts en zoverder, ik kon me werkelijk niet meer inhouden. Mijn je