Poëzie

[nb: Klik hier voor meer toepasselijke poëzie. Condoléancekaarten met rake poëzie kunt u bestellen bij Stichting Plint]


A road I knew, that all must one day go
But not so soon as yesterday, today.
    Ariwara no Narihira, Kôkinshû 861, Japan (ca. 880 na Chr.)


Even if you live a thousand years
It will still feel like the dream of one night.
    Tales of Ise, Japan (9de eeuw)


The woods are lovely, dark and deep
But I have promises to keep
And miles to go before I sleep.
    Robert Frost


Laat dat malle lichaampje van je nu maar los
        Gummbah


Later

later
is een kort en scherp
of lang en zacht
verdriet

dat weten we
al 'n leven lang
maar nu nog niet
    Ellen Warmond



In de eerste nacht

In de eerste nacht nadat ik had
gehoord dat hij ziek was
schrok ik wakker.

Het waaide buiten. Het waait, zei
jij, die nog geen oog dicht had
gedaan, en je glimlachte.

Ik begreep het pas later.

Wat er ook is, het zal de natuur
een zorg zijn.

Het waait, het waaide – buiten klonk
de troost van de onverschilligheid.

    Wim Brands, 's Middags zwem ik in de Noordzee

Voor Deborah

Als ik doodga
hoop ik dat je er bij bent
dat ik je aankijk
dat je mij aankijkt
dat ik je hand nog voelen kan
dan zal ik rustig doodgaan
dan hoeft niemand verdrietig te zijn
dan ben ik gelukkig.
      Remco Campert


Niet meer moeten

De zon is vandaag in een weiland gaan slapen,
moe van de cirkels van eeuwigheid
en ik heb de maan in een boom gehangen
en mezelf van de tijd bevrijd.
       Annique Boomsma


Voor een dag van morgen

Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind, die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.
Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man alleen maar een vrouw,
dat een mens een mens zo lief had
als ik jou.
    Hans Andreus


ik denk
   als het regent
   laat ze niet nat worden
en als het stormt
   vat ze geen kou
en ik denk ook
   dat dat denken niet helpt
want je wordt nooit meer
   nat noch vat je een kou
want het regent
   noch waait ooit
   meer voor jou
   Bert Schierbeek


Afspraak

Voor na de dood
spreken we een plek af

ergens diep in de tuin
maar niet te ver van het huis

in die kleine vallei bijvoorbeeld
tussen de rhododendrons en de rozenhaag
zien we dan voor altijd
hoe het was
J.W.Oerlemans, De maan passeren in gewichtloze kano's, 1992


je hebt haar: wees blij dat het blond is
je hebt tanden: ze zijn nog bijna wit
je hebt voeten: ook al zijn ze dan ongewassen
en lange harige benen, afgrijselijk geluk
handen met gave vingers zonder eelt
je hebt verstand dat rusten kan en denken:
"dit alles is maar een tijdje, dan ben je dood."
    Hans Lodeizen, Het innerlijk behang


Let us see, is this real,
Let us see, is this real,
This life I am living?
    Pawnee poem


On est comme du petit bois qui flambe dans l'oxygène de la vie.
Un clignotement et pouf! on est parti.


Niets gaat verloren. Wat er niet meer is,
wat men niet in zijn hand kan sluiten en meedragen,
komt terug als het zelf wil, neemt wat men nu bezit.
     Frida Vogels, De harde kern


Moeder

Mijn moeder gaf me beelden om te dromen.
Zij spon geluiden om me heen.
Zij goot verhalen in mijn oren.
Zij was een zon die altijd scheen.
Mijn moeder wilde bij me blijven.
Zij zong een lied voor mij alleen.
Soms denk ik dat ik haar kan horen.
En dat zij niet voorgoed verdween.
Johanna Kruit


What is life?

It is the flash of a firefly in the night.
It is the breath of a buffalo in the winter time.
It is as the little shadow that runs across the grass
and loses itself in the sunset.
     The last words of Crow Foot (red Indian chef ) before dying


Voor de verre prinses

'What if this is one of those strange worlds?'
'Every world is a strange world.'

Sliders

Wij zullen nooit meer samen zijn:
een vortex drong zich tussenbeide,
splitste de verbindingslijn
en sloot zich met een zucht van spijt.
Jouw wereld ligt een strobreed
van de mijne, maar ik ben je kwijt -
we zweven in het barnsteen
van een parallelle ruimtetijd.
En eerder draait de klok terug
of kookt ons bloed tot ijskristallen,
eerder zal de jongste zon
door ouderdom zijn uitgeblust,
eerder krimpt de kosmos
tot de sterren van de hemel vallen
dan dat jij, uniek als priemgetallen,
ooit nog in mijn armen rust.
Wanneer we beiden aan het raam
de verste sterren gadeslaan
wordt soms de afstand overbrugd -
een kort moment valt waterpas.
Dan kom je zwijgend voor me staan
en met een hand door smeltend glas
in statisch knetterende lucht
raak je me aan.
     Ingmar Heytze, Sta op en wankel, uitg. Kwadraat 1999


Voor de verre prinses

Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tussenbeide.
Soms staan wij beiden 's nachts aan 't raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.

Uw land is zo ver van mijn land verwijderd:
Van licht tot verste duisternis - dat ik
Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,
U zou begroeten met mijn stervenssnik.

Maar als het waar is dat door grote dromen
Het zwaarst verlangen over wordt gebracht
Tot op de verste ster: dan zal ik komen,
Dan zal ik komen, iedre nacht.
     Jacob Slauerhoff, Serenade III


"Jij, die over het water van dit moeras vol riet naar Hades je boot met doden roeit, eind van hun verdriet, reik het kind van Kinyras je hand, wanneer hij op de ladder stapt, en help hem aan boord, duistere Charon. Want door zijn sandaaltjes staat het jochie niet stevig, maar hij durft niet met zijn blote voetjes op het zand."
        Gezien in het Allard-Pierson Museum
        Inscriptie op de grafsteen van een overleden kind in de Greco-Romeinse Oudheid. Zie "Het kind in de oudheid".


Je partirai

Demain, dès l'aube, à l'heure où blanchit la campagne,
Je partirai. Vois-tu, je sais que tu m'attends.
J'irai par la forêt, j'irai par la montagne.
Je ne peux demeurer loin de toi plus longtemps.

Je marcherai les yeux fixés sur mes pensées,
Sans rien voir au dehors, sans entendre aucun bruit,
Seul, inconnu, le dos courbé, les mains croisées,
Triste, et le jour pour moi sera comme la nuit.

Je ne regarderai ni l'or du soir qui tombe,
Ni les voiles au loin descendant vers Harfleur,
Et quand j'arriverai, je mettrai sur ta tombe
Un bouquet de houx vert en de bruyère en fleur.
Victor Hugo


Oorweging

Jy was destyds kapabel om meer te presteer
maar op dit wat mits dese ineens gaan gebeur
is jy terdeë onvoorbereid.
Hoe op aarde moet jy 'n gekikte beleid
sonder nodige voorskrifte sameflans
- of reken jy dalk op 'n tweede kans?

Reflection

Whatever you had in the past to confront,
it was always approximate, never the brunt.
Once the once and for all appears to take place,
how on earth can you cope with it face to face
- or perhaps you're intending to advance
your future by dint of a second chance?
    Elisabeth Eybers, Valreep/Stirrup- cup


Wederopstanding

Grijszwart is alles, het regent, iemand is dood
en dood en wel weer gaan leven, wil angstig een kuil uit
moet en zal omhoog naar de rand waar ik sta.

Zoveel dood manipuleren kan geen mens.
Hij beweegt alsof hij uit elkaar valt.

Wortels, kluiten, alles kan hem verwonden
en wat stukgaat en niet leeft, raakt nooit meer heel
dus hij zal het verliezen van zijn wil en zijn angst
en ik, die niets doen kan dan toezien, zal hem weer
verliezen, hem niet kunnen helpen, verliezen.

Hij huilt en beweegt zich, hij is weer geboren
maar 's nachts nu, maar dood nu, alleen in de aarde
klimt en valt hij in de donkere steilte
de o van ontzetting die mijn hoofd is.
    Esther Jansma, Alles is nieuw


Einde Verhaal

Onder een loodgrijze hemel
in een sluier van motregen
zet voor het bejaardentehuis
de stoet zich in beweging.
Nou ja, stoet... : een lijkwagen
gevolgd door twee gewone.
Vanachter de ramen van het tehuis
kijkt niemand toe, zelfs geen
personeel. Einde verhaal.
    Spencer Brandsen, Nurks Magazine


misschien noemen ze het rouwen
of zo - ik noem het pijn
je ademt door – wat moet je anders
jij zult het ook gekend hebben
het is niet exclusief
elke dag ben ik weer blij
dat er een nacht aan hangt
jou nog tegen kom
mijzelf
onze nachten zijn nu zo
Pom Wolff


De ontdekking

een man ontdekte de zin van het bestaan
holde naar buiten
klampte iedereen aan, zei: "luister!
het is heel anders dan u denkt!"
en over zijn woorden struikelend
legde hij het uit
aan iedereen
en iedereen was stomverbaasd -
is dàt dus de zin van het bestaan...
ach, hoe is het mogelijk...
schudde zijn hoofd,
sloeg vlammen van zich af
sprong in sloten, rivieren, riep om hulp
of liep peinzend weg
    Toon Tellegen, Een dansschool, Querido Amsterdam 1992


De dood is niets

De dood is niets.
Ik ben alleen maar aan de andere kant.
Ik ben ik, jij bent jij.
Wat we voor elkaar waren, dat zijn we nog steeds.
Noem me zoals je me steeds genoemd hebt.
Zeg wat tegen me, even gemakkelijk als vroeger.
Sla geen andere toon aan,
doe niet geforceerd plechtig of verdrietig.
Lach zoals altijd om dingen waar we vroeger samen om lachten.
Speel. Glimlach. Denk aan mij. Bid voor mij.
Laat mijn naam even vertrouwd blijven
als hij altijd is geweest.
Zeg hem op dezelfde toon,
zonder wanhoop.
Het leven heeft nog steeds dezelfde waarde,
dezelfde zin. De draad is niet gebroken.
Waarom zou ik uit je gedachten verdwijnen
nu je me niet meer ziet?
Als je van me houdt, huil dan niet.
Ik wacht gewoon op jullie, ergens vlakbij.
Alles is goed.
    Uit een preek t.g.v. de dood van koning Edward VII, geïnspireerd op delen van Augustinus' Epistula 263.


do not stand at my grave and weep

Do not stand at my grave and weep,
I am not there, I do not sleep.
I am in a thousand winds that blow,
I am the softly falling snow.
I am the gentle showers of rain,
I am the fields of ripening grain.
I am in the morning hush,
I am in the graceful rush
Of beautiful birds in circling flight,
I am the starshine of the night.
I am in the flowers that bloom,
I am in a quiet room.
I am in the birds that sing,
I am in each lovely thing.
Do not stand at my grave and cry,
I am not there. I do not die.
     Mary Frye


Zwerversliefde

Laten wij zacht zijn voor elkander kind -
want,  o de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse woord van liefde spreken
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder de wind in hulpeloos verdriet.

Wij zijn maar als de blaren in de wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind -

En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

Veel liefde ging verloren in de wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten,
en daarom - voor we elkander weer vergeten
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
    A.Roland Holst



Not Waving But Drowning

Nobody heard him, the dead man,
But still he lay moaning:
I was much further out than you thought
And not waving but drowning.

Poor chap, he always loved larking
And now he's dead
It must have been too cold for him his heart gave way,
They said.

Oh, no no no, it was too cold always
(Still the dead one lay moaning)
I was much too far out all my life
And not waving but drowning.
    Stevie Smith


Black March

I have a friend
At the end
Of the world.
His name is a breath

Of fresh air.
He is dressed in
Grey chiffon. At least
I think it is chiffon.
It has a
Peculiar look, like smoke.

It wraps him round
It blows out of place
It conceals him
I have not seen his face.

But I have seen his eyes, they are
As pretty and bright
As raindrops on black twigs
In March, and heard him say:

I am a breath
Of fresh air for you, a change
By and by.

Black March I call him
Because of his eyes
Being like March raindrops
On black twigs.

(Such a pretty time when the sky
Behind black twigs can be seen
Stretched out in one
Uninterrupted
Cambridge blue as cold as snow.)

But this friend
Whatever new names I give him
Is an old friend. He says:

Whatever names you give me
I am
A breath of fresh air,
A change for you.
    Stevie Smith

Booz

Quand on est jeune, on a des matins triomphants ;
Le jour sort de la nuit comme d'une victoire ;
Mais vieux, on tremble ainsi qu'à l'hiver le bouleau ;
Je suis veuf, je suis seul, et sur moi le soir tombe,
Et je courbe, ô mon Dieu ! mon âme vers la tombe,
Comme un boeuf ayant soif penche son front vers l'eau. Victor Hugo, fragment uit Booz endormi


Goudklokje, twee gedichten

I

Een afgeleefde zieke man van veertig,
Een lief onnozel dochtertje van twee _
Het was geen jongen maar toch meer dan niets,
Vaak koosde ik haar om mijzelf te troosten.
  Toen op een ochtend heeft zij ons verlaten
En ziel noch schaduw liet zich ergens vinden_
Ik weet nog hoe ze bij haar vroege dood
Juist brabbelend begon te leren praten.
  Eerst toen besefte ik dat liefde voor je kind
De samenscholing is van alle smarten.
Maar door te denken aan de tijd voor zij bestond
Wist ik mijn diepe droefheid weg te redeneren.
  Het is al lang dat ik haar was vergeten_
Drie zomers en drie winters al geleden.
Vandaag werd al die droefheid plots gewekt
Want ik ontmoette weer haar oude min.

II

We waren, jij en ik, een kind en vader
Gedurende achthonderdzestig dagen.
Maar plotseling was jij ook weer verdwenen,
Sindsdien verliepen al zo'n drie, vier lentes.
  Het lichaam is in wezen niet reëel:
Ether verdicht bij toeval zich tot lijf.
Genegenheid is eigenlijk een waan:
Even verbindt ons karma als verwanten.
  Dit overdenkende kwam ik tot inzicht
En ik verdreef daarmee mijn bitter leed_
Beschaamd dat ik door rede mij mijzelf ontruk
Want ik ben niet verstoken van gevoel.
    Bai Juyi, China (813 na Chr.)
    uit: Bai Juyi, Gedichten en proza, Walt Idema, Atlas, Amsterdam 2001


Anyway

People are often unreasonable, illogical and self centered;
Forgive them anyway.
If you are kind, people may accuse you of selfish, ulterior motives;
Be kind anyway.
If you are successful, you will win some false friends and some true enemies;
Succeed anyway.
If you are honest and frank, people may cheat you;
Be honest and frank anyway.
What you spend years building, someone could destroy overnight;
Build anyway.
If you find serenity and happiness, they may be jealous;
Be happy anyway.
The good you do today, people will often forget tomorrow;
Do good anyway.
Give the world the best you have, and it may never be enough;
Give the world the best you've got anyway.
You see, in the final analysis, it is between you and God;
It was never between you and them anyway.

Mother Teresa naar The Paradoxical Commandment

The Summons of the Soul/Zhao Hun

O soul, come back! Why have you left your old abode and sped to the earth's far corners,
Deserting the place of your delight to meet all those things of evil omen?
O soul, come back! In the east you cannot abide.
There are giants there a thousand fathoms tall, who seek only for souls to catch,
And ten suns that come out together, melting metal, dissolving stone,
The folk that live there can bear it; but you, soul, would be consumed.
O soul, come back! In the east you cannot abide.

O soul, come back! In the south you cannot stay.
There the people have tattooed faces and blackened teeth;
They sacrifice flesh of men, and pound their bones to paste.
There are coiling snakes there, and the great fox that can run a hundred leagues,
And the great nine-headed Serpent who darts swiftly this way and that,
And swallows men as a sweet relish.
O soul, come back! In the south you may not linger.

O soul come back! For the west holds many perils:
The Moving Sands stretch on for a hundred leagues.
You will be swept into the Thunder's Chasm, and dashed in pieces, unable to help yourself;
And even should you chance to escape from that, beyond is the empty desert,
And red ants as huge as elephants, and wasps as big as gourds.
The five grains do not grow there; dry stalks are the only food;
And the earth there scorches men up; there is nowhere to look for water.
And you will drift there for ever, with nowhere to go in that vastness.
O soul, come back! You cannot long stay there.

O soul, come back! Climb not to the heaven above.
For tigers and leopards guard the gates, with jaws ever ready to rend up mortal men,
And one man with nine heads, that can pull up nine thousand trees,
and the slant-eyed jackal-wolves pad to and fro;
They hang out men for sport and drop them in the abyss,
And only at God's command may they ever rest or sleep.
O soul, come back! lest you fall into this danger.

O soul come back! Go not down to the Land of Darkness,
Where the Earth God lies, nine-coiled, with dreadful horns on his forehead,
And a great humped back and bloody thumbs, pursuing men, swift-footed:
Three eyes he has in his tiger's head, and his body is like a bull's.
O soul, come back! lest you bring on yourself disaster.

O soul, come back! and enter the gate of the city.
the priests are there who call you, walking backwards to lead you in.
Ch'in basket-work, silk cords of Ch'i, and silken banners of Cheng:
All things are there proper for your recall; and with long-drawn, piercing cries they summon the wandering soul.
O soul, come back! Return to your old abode.

All the quarters of the world are fullof harm and evil.
Hear while I describe for you your quiet and reposeful home.
high walls and deep chambers, with railings and tiered balconies;
Stepped terraces, storied pavilions, whose tops look on the high mountains;
Draughtless rooms for winter; galleries cool in summer;
Streams and gullies wind in and out, purling prettily;
A warm breeze bends the melilotus and sets the tall orchids swaying.
Crossing the hall into the appartments, the ceilings and floors are vermilion,
The chambers of polished stone, with kingfisher hangings on jasper hooks;
Bedspreads of kingfisher seeded with pearls, all dazzling in brightness:
Arras of fine silk covers the walls; damask canopies stretch overhead,
Braids and ribbons, brocades and satins, fastened with rings of precious stone.
Many a rare and precious thing is to be seen in the furnishings of the chamber.
Bright candles of orchid-perfume fat light up flower-like faces that await you;
Twice eight handmaids to serve your bed, each night alternating in duty,
The lovely daughetrs of noble families, far excelling common maidens.
Women with hair dressed up finely in many fashions fill your apartments,
In looks and bearing sweetly compliant, of gentleness beyond compare,
With melting looks but virtuous natures and truly noble minds.
Dainty features, elegant bearing grace all the marriage chamber:
Mothlike eyebrows and lustruous eyes that dart out gleams of brightness,
Delicate colouring, soft roud flesh, flashing seductive glances.
In your garden pavilion, by the long bed-curtains, they wait your royal pleasure:
Of kingfisher feathers, the purple curtains and blue hangings that furnish its high hall;
The walls, red; vermilion the woodwork; jet inlay on the roofbeams;
Overhead you behold the carved rafters, painted with dragons and serpents;
Seated in the hall, leaning onits balustrade, you look down on a winding pool.
Its lotuses have just opened; among them grow water-chestnuts,
And purple-stemmed water-mallows enamel the green wave's surface.
Attendants quaintly costumed in spotted leopard skins wait on the sloping bank;
A light coach is tilted for you to ascend; footmen and riders wait in position.
An orchid carpet covers the ground; the hedge is of flowering hibiscus.
O soul, come back! Why should you go far away?

All your household have come to do you honour; all kinds of good foods are ready:
Rice, broom-corn, early wheat, mixed all with yellow millet;
Bitter, salt, sour, hot and sweet: there are dishes of all flavours.
Ribs of the fatted ox cooked tender and succulent;
Sour and blended in the soup of Wu;
Stewed turtle and roast kid, served up with yam sauce;
Geese cooked in sour sauce, casseroled duck, fried flesh of the great crane;
Braised chicken, seethed tortoise, high-deasoed, but not to spoil the taste;
Fried honey-cakes of rice flour and malt-sugar sweetmeats;
Jadelike wine, honey-flavoured, fills the winged cups;
Ice-cooled liquor, stained of impurities, clear wine, cool and refreshing;
Here are laid out the patterned ladles, and here is sparkling wine.
O soul, come back! Here you shall have respect and nothing to harm you.

(...in bewerking)
     Qu Yuan(?), Chuci/ The Songs of Chu, ±4e eeuw v.Chr.
     Vertaling van David Hawkes (in: Anthology of Chinese Literature, Penguin Classics, 1967)