Het afleggen van Roeland

In La Chanson de Roland (het Roelandslied), het episch lied over de strijd bij het Pyrennese Roncevaux (Oud Frans Rencesvals, huidig Spaans Roncesvalles) gaat titelheld Roland, de mignon lievelingsneef van Karel de Grote, al blazend op de oliphant ten onder. Zijn oom, nadat hij veelvuldig gehuild heeft en zelfs flauw gevallen is (dat deden die stoere mannen blijkbaar ongegeneerd in die tijd), laat hem ter plekke op het slagveld met alle egards afleggen.


[vs 2962]
[Nederlands]
De keizer laat Roland en Olivier en de aartsbischop Turpin wassen:
hij heeft ze alle drie voor zich laten openmaken,
in een zijden doek heeft hij hun harten laten ontvangen;
in een witte kist van marmer zijn ze geplaatst.
Dan hebben ze de lichamen van de drie baronnen gepakt,
ze hebben ze, de heren, in hertenhuiden gelegd,
allen goed gewassen met kruiden en wijn.
De koning beveelt Thibaud en Geboïn,
graaf Milon en markies Oton:
“Breng ze op drie karren langs de weg!”
Ze zijn bedekt door een zijden laken van Galaza.


[Oud Frans]
Il emperere fait Rollant costeïr
E Oliver, l'arcevesque Turpin :
Dedevant sei les ad fait tuz uvrir,
E tuz les qu