Leven is rouwen

Leven is rouwen. Steeds maar weer.
Het zijn niet alleen degenen die vertrekken om wie we rouwen. Ook degenen die blijven. Tijd verandert mensen. Steeds opnieuw neem je afscheid van wie ze waren en moet je wennen aan de nieuwen. Het meest zichtbare is het bij kinderen. Die vernieuwen zich sneller dan we kunnen bijbenen. Eigenlijk kun je stellen dat het hebben van kinderen een oefening is in doorlopend rouwen, met een empty nest syndroom als uitkomst.
Maar ook van jezelf rouw je voortdurend.
Niet alleen fysiek word je steeds weer opnieuw opgebouwd, uit volkomen nieuwe celletjes, maar ook mentaal. Welke 60-jarige herkent zich nog in de 20-jarige mens die ze waren?
We accepteren deze vorm van rouwen omdat het meestal subtiel gaat, ongemerkt, gaandeweg.
De dood, daarentegen, komt al te vaak met een enorme smak. Het is opeens en voor altijd. Dat maakt het het moeilijkste rouwen.
Het helpt dus bij het verlies van een geliefde wezen om te rouwen om jezelf. Je hele leven heb je al gerouwd om versies van jezelf. Je hebt daar ervaring mee. Pas het nu toe bij definitief afscheid van mens en dier. Neem telkens weer niet alleen afscheid van je geliefde wezen maar ook van de versie van jezelf in combinatie met dat wezen.

Je bent niet meer X met Y. Je bent X, X met anderen.